Wat begon als geweldig nieuws met de melding van een 2e broedsel kerkuilen in Stokkum, eindigde uiteindelijk in een stukje mantelzorg voor een sterk vermagerd kerkuilenjong. Zo laat in het jaar is het aanbod van muizen door het ouderpaar in de knel gekomen. De vraag riep zich dan ook op in hoeverre bijvoeren op zijn plaats was.

Eind oktober meldde een kasthouder uit Stokkum dat zijn kerkuilen vermoedelijk voor de 2e keer dit jaar hadden gebroed. Hij hoorde bij herhaling een hoop gestommel en gesis uit de kerkuilenkast in zijn schuur en ontdekte twee jongen. De kasthouder vroeg zich af of wij de kast wilden controleren en de jongen wilden ringen. Uiteraard werd het bericht met enthousiasme ontvangen, mede gezien de slechte broedresultaten in voorgaande jaren. Uit onze administratie bleek, dat er half juni op dit erf als zes gezonde jonge kerkuilen waren geboren en geringd.

Zaterdag 4 november was het dan zover. In de nestkast zat echter nog slechts 1 levende jonge kerkuil van circa vijf tot zes weken oud. Het andere jong was in de tussentijd overleden. Na weging door één van onze ringers bleek het vrouwelijke uiltje echter zwaar onder het gangbare gewicht voor een zes weken oude kerkuil te zijn. Mogelijk was het voedselaanbod zo laat in het jaar onvoldoende om beide uiltjes gezond en sterk te houden. Bijvoeren bij voedselschaarste is en blijft echter een lastige kwestie. Wel werd het uitje gewogen, opgemeten en geringd.

Uiteindelijk werd toch gekozen voor het dagelijks bijvoeren van het geringde jong met ééndagskuikens en af en toe een dode muis tot aan het moment dat het zelfstandig voor zijn kostje kan gaan zorgen. De jonge kerkuil doet het goed op de aangeboden kuikens, terwijl een geplaatste camera aantoonde dat het ouderpaar ook nog steeds aanvliegt. Hopelijk houdt zij het vol en komen we haar in de toekomst nog een keer tegen als moeder van een nieuw nest kerkuilen.