De Kerkuil

/De Kerkuil
De Kerkuil2017-11-03T14:44:08+00:00

DSC_0305De Kerkuil & zijn biotoop

De kerkuil dankt zijn naam aan het feit dat hij vroeger veelal in een kerktoren broedde. De Engelse benaming ‘Barn Owl’ geeft echter aan dat de kerkuil momenteel vooral in boerenschuren wordt aangetroffen.

De kerkuil is een solitaire uil en komt voor in Amerika, Europa, Azië, Australië en Afrika in steden, dorpen en op landbouwgronden. Kerkuilen hebben hun leven dezelfde partner en verblijven in hun eigen territorium. De kerkuil is een jachtvogels en een gespecialiseerde muizeneter van halfopen tot open graslanden. Gebieden met heggen en verspreide bosjes hebben de voorkeur. ’s Nachts gaat de kerkuil op zoek naar kleine knaagdieren en soms kleine vogels. Tijdens de jacht vliegt de kerkuil vooral laag over de grond. ‘s Winters jagen de kerkuilen ook in schuren en stallen. Zoals bij veel andere uilen (en ook roofvogels) is het vrouwtje iets groter en zwaarder dan het mannetje. De vogel heeft een dikke kop met donkere ogen en is aan de bovenzijde goudbruin gevlekt en aan de onderzijde licht gestippeld. De kerkuil heeft lange poten en is ongeveer 29 tot 44 cm groot. Kerkuilen broeden vooral in boerderijen, kerktorens of schuren en soms in een holle boom. Ze komen tot broeden in de omgeving van ruige veldjes, perceelranden, en andere ruigtestroken. Dit zijn de favoriete plekken van de veldmuis, de belangrijkste kerkuil prooi. Het legsel van de kerkuil bestaat uit vier tot zes spierwitte eieren.

Voedsel

Aan de hand van braakballenonderzoek blijkt, dat de kerkuil vooral op muizen (98%) en incidenteel (2%) op vogels en amfibieën jaagt. Veldmuizen, bosmuizen en spitsmuizen zijn daarbij favoriet. Bij een tekort aan voedsel gaan kerkuilen op jacht naar andere muizensoorten, mussen, spreeuwen en kevers. Heel af en toe worden er dan ook ook ratten gevangen. De kerkuilenstand fluctueert met de muizenstand. Den muizenstand kent gemiddeld genomen een drie- tot vijfjaarlijkse cyclus. In muizenarme jaren brengen kerkuilen hooguit 1 legsel met enkele jongen groot. In muizenrijke jaren kunnen kerkuilen wel drie legsels grootbrengen. Daarmee heeft de populatie een groot herstelvermogen. Ook strenge winters kunnen een grote negatieve invloed hebben: een kerkuil heeft maar een kleine vetvoorraad en kan dus slecht tegen kou en periodes zonder eten overbruggen. Wanneer de strenge winter geen sneeuw brengt vriezen ook nog eens extra muizen dood.

Broedperiode

In het voorjaar begint een paartje kerkuilen met een nieuw nest. Het mannetje kiest tijdens de balts het nest uit en lokt het vrouwtje met bepaalde geluiden. Bij voldoende aanbod van voedsel volgt de eileg en worden de eieren( gemiddeld tussen de 4 en 7) binnen circa 32 dagen uitgebroed. Het wijfje broedt alleen, terwijl het mannetje haar tijdens de gehele broedperiode voorziet van voedsel. Het oudste kuiken krijgt altijd als eerste te eten en het jongste kuiken als laatste. Als er niet genoeg prooien worden gevangen, zal het jongste kuiken veelal sterven. Tegen het einde van de negende week kan een jongen kerkuil redelijk goed vliegen en gaat dan korte periodes naar buiten. Als de jong geboren kerkuilen drie tot vier maanden oud zijn, worden zij uit het territorium van de ouders verjaagt en moeten hun eigen gebied gaan zoeken

Geluiden

Voor kerkuilen zijn geluiden een belangrijk communicatiemiddel. Geluiden zijn het enige contact dat ze met elkaar hebben. Aan de geluiden herkennen ze elkaar en communiceren ze met elkaar. Bij kerkuilen zijn er 18 soorten geluiden waargenomen. Deze kunnen verdeeld worden in een vijftal hoofdgroepen:

 baltsgeluiden,

 verdedigingsgeluiden,

 bedel- en voedergeluiden,

 contactgeluiden,

 en de geluiden van de jongen.

 

De Baltsroep

De baltsroep (een ijselijk, luid gekrijs) is het meest indrukwekkende geluid, dat het mannetje in de vlucht laat horen. De schreeuw is op honderden meters hoorbaar. Het mannetje laat zo duidelijk horen dat hij in zijn territorium aanwezig is.  

Tsjirpen

Het eerste geluid dat een jonge kerkuil laat horen, wanneer het uit het ei is gekomen, is een rinkelend getsjirp, gecombineerd met piepende, krassende en klokkende kreten: tsjirpen. Het geluid wordt vaak gehoord vlak voor, tijdens en na het voeren van de jongen. Aan het einde van de eerste levensweek gaat het tsjirpen over in blazen

Blazen

Blazen is een speciaal geluid dat zowel de oude als de jonge geboren kerkuilen produceren. Het blazen is enerzijds een contactroep tussen het wijfje en de jong geboren kerkuilen en anderzijds een roep om voedsel. Ook bij gevaar laten zowel de volwassen kerkuilen als de jongen een langgerekt dreigend blazen horen, dat twee tot tien seconden kan aanhouden e indringers dient af te schrikken.

 Tongklikken

Naast het blazen laat de jong geboren kerkuil bij naderend gevaar een klikkend geluid horen ( tongklikken) Het jong slikt als het ware de tong in, waardoor de boven- en ondersnavel op elkaar klappen. Het tongklikken wordt vaak afgewisseld met een sissend geluid, waarbij de snavel licht geopend is

Bedreigingen

De Kerkuil heeft het moeilijk. De bedreiging zijn divers en overal aanwezig. Vooral het voedselaanbod is bepalend voor het wel en wee van de kerkuil. Kerkuilen kunnen slechts 5 tot 8 dagen zonder voedsel. Als er een beperkt voedselaanbod is sterft hij van de honger. Strenge winters met veel sneeuw (minstens 7cm dik) zijn dan ook dodelijk voor de uilen. Prooidieren leven of slapen dan in holen onder de sneeuw en komen niet meer boven.

Veranderde landschappen

Het landschap is met de jaren veranderd. Kleine graslandjes met houtwallen, waarin de muis zich thuis voelde zijn verdwenen. In plaats daarvan ontstonden door schaalvergroting grote uitgestrekte akkers en graslanden, waar veel minder muizen leven.

Verkeersslachtoffer

Kerkuilen jagen steeds meer in wegbermen waar muizen beter gedijen en zo een ideaal jachtgebied is geworden voor de kerkuil.  Tijdens het jagen in de berm maakt de kerkuil gebruik van bermpaaltjes en hekken als uitkijkplaats of als rustplaats. Tijdens het jagen, wat op een hoogte van circa twee meter gebeurd, maakt hij hierbij grote kans aangereden te worden door passerende auto,s.

Minder nestplaatsen

Veel geschikte nestplaatsen zijn de laatste jaren verdwenen door het afsluiten van gaten in schuren, kerken en gebouwen waardoor het aanbod van geschikte broedplaatsen is verminderd.

Bestrijdingsmiddelen

In de jaren ’60 van vorige eeuw was er een grote sterfte onder roofvogels, waaronder de kerkuil door het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De gifstoffen van deze middelen hoopten zich op in de voedselketen van de kerkuil, waardoor de populatie enorm onder druk kwam te staan

Natuurlijke vijanden

De kerkuil heeft ten slotte 2 natuurlijke vijanden, de Havik en Steenmarter. De Steenmarter, waar er steeds meer van zijn in Nederland, roven nesten vaak leeg.