Stel je voor: je loopt ergens aan de rand van het bos en  je hoort een boel gezucht, gesteun en gekreun. Ook hoor je af en toe een geluid dat lijkt op een roestig hek. Wat is dit, hoor ik je denken. De veroorzakers van deze geluiden zijn de Ransuilen. We gaan eens kennis maken met deze uil die op de rode lijst staat.

Hoe herken ik een Ransuil?

De ransuil is de enige uilensoort die het in de winter fijn vindt om in gezelschap te verkeren. Soms in een kleine groep, maar er zijn ook wel eens 100 ransuilen bij elkaar gezien. Ze zitten dan in dichte dennenbomen, ook bezoeken ze soms een klimop tegen een gebouw. Ze hebben opvallende lange oorpluimen, die ze bij gevaar recht overeind kunnen zetten. Ook drukken ze de veren dan dicht tegen hun lijf waardoor ze lang en slank lijken.

Ransuilen leiden een onopvallend bestaan. Het zijn de jongen die de boel verraden met hun klagende bedelroep. Dat is dus het geluid van een piepend roestig hek dat je hoort. Een hoge kie-jèè. En geloof me, dit geluid gaat door merg en been en is hoorbaar tot een kilometer ver. De vader heeft een lage hoe geluid en de moeder een vibrerende weeeh geluid. Voor de rest hoor je ze niet.

Nu heb je geleerd hoe ik eruit zie, maar wat eet ik het liefst?

Met een portie woelmuizen maak je mij dolgelukkig, net als een portie veldmuizen en echte muizen. Zoals de bosmuis. Als snack vinden wij kleine vogeltjes zoals mussen, merels en spreeuwen ook wel erg lekker. Daarom jagen wij altijd in het open veld, de wegbermen en kale plekken in het bos. Als er erg veel te eten is voor ons, krijgen wij ook veel jongen. Dan kunnen het er wel 8 zijn, anders proberen we het te houden bij 4 tot 6 jongen. Genoeg is genoeg. Als er te weinig te eten is voor ons, slaan we gerust een jaartje over. Dan zijn er geen jongen. Jammer, maar helaas.

Oké, dat is allemaal wel interessant. Maar waar maken jullie je nest dan?

Wij zijn geen nesten bouwers, wij nemen genoegen met oude nesten van kraaien of eksters. Lekker makkelijk. Soms, maar alleen als het veilig genoeg is, broeden wij op de grond. Onze jongen zijn maar 3 weken in het nest, daarna klimmen ze naar de boomtoppen en na 5 weken kunnen ze vliegen. Helaas zijn we met steeds minder, door het verdwijnen van houtwallen,  grote groene vlaktes en hagen. Je snapt wel, daar verstoppen de muizen zich en die missen we daar door.

Oké, dat is niet zo mooi. Hoe kan ik jullie helpen dan?

Je helpt ons door ervoor te zorgen dat er kunstnesten, zoals gevlochten open nesten in bomen worden opgehangen. En eenden korven mogen er ook zijn. Tenslotte een weetje: waarom heet ik rans uil? Ranse is Middelnederlands voor: “muts die met een kap in een plooi afhing”.

Ten slotte:

Mochten jullie mij ergens in de Hof van Twente tegenkomen, zittend in een conifeer of boom, meld dit dan even via secretariaat@hofvogels.nl